• Home
  • /Blog
  • /Interview met Hans van Breukelen: ‘Keepers zijn gek. Gek van hun vak!’

Interview met Hans van Breukelen: ‘Keepers zijn gek. Gek van hun vak!’

Op een website voor door en over keepers mag Hans van Breukelen natuurlijk niet ontbreken. Enkele weken geleden waren we al aanwezig bij een van zijn vele presentaties. Nu aten we een pannenkoek en gingen we – met volle mond – in gesprek met een van de beste doelmannen die Nederland ooit gehad heeft. ‘Keepen is extreem karaktervormend.’

Waarom ben je eigenlijk ooit gaan keepen?

‘Dat is een klassiek verhaal. Mijn broer was 5,5 jaar ouder dan ik en die voetbalde altijd op straat. Ik wilde graag meedoen, dus ik begon een beetje te mauwen. En toen moest mijn broer mij van mijn moeder meenemen. Tussen al die grotere jongens moest ‘Hansje’ toen op  goal gaan staan: twee jassen fungeerden als doelpalen. Op mijn 8e ben ik bij BVC gaan spelen: de Biltse VoetbalClub.’

Wat vond jij toen zo leuk aan keepen?

‘Je kunt je als keeper echt onderscheiden. Je hebt een ander kleur shirt aan, je mag dingen die de veldspelers niet mogen en je bent belangrijk voor je team. Als je die erkenning krijgt, dan is dat fantastisch. Maar natuurlijk heb ik vroeger ook mindere wedstrijden meegemaakt waarbij ik ballen doorliet die ik eigenlijk had moeten hebben. Dat heeft mij gevormd. Sport is op zich al heel karaktervormend. Maar keepen is extreem karaktervormend. Je doet het goed of je doet het fout. Je moet mentaal goed op orde zijn om blunders te verwerken, de kritiek van je spelers en het gezeik van de pers. Je moet echt in jezelf geloven  en ermee om leren gaan. Dat is niet zo simpel. Maar onderken dat je als keeper fouten kunt maken. Zelfs als jij er alles aan hebt gedaan, je goed hebt voorbereid en je goed geconcentreerd hebt, kun je een keer een fout maken. Prima. Al toen ik heel jong was, wilde ik ervoor zorgen dat het niet aan mij lag dat we niet gewonnen hadden. Om klaar te zijn voor de wedstrijd van morgen ging ik dan – op mijn tiende – extra vroeg naar bed.’

Dat spanningsveld -je doet het goed of je doet het fout – vind ik het mooiste aan het keepersvak. Je kunt een wedstrijd winnen of je kunt een wedstrijd redden. Je kunt als keeper zo goed als nooit een wedstrijd winnen; daarvoor ben je afhankelijk van je spitsen die er daar voor eentje in moeten schieten. Het is in mijn leven één keer gebeurd dat ik de matchwinner was. Dat was toen ik de beslissende strafschop stopte tegen Benfica. Een heel mooie ervaring. Normaal gebeurt dat nooit.’

Wat is het grootste verschil tussen keepers en voetballers? 

Keepers zijn door dat spanningsveld echte perfectionisten. Ik was altijd bezig beter te worden; ik had een groot verantwoordelijkheidsgevoel. Keepers zijn gek, zeggen ze weleens. En dat klopt. Gek van hun vak! De liefde om keeper te zijn moet zo groot zijn dat je bereid bent heel veel offers te brengen en de perfectionist uit te hangen. Terwijl de kans altijd aanwezig is dat je op je gezicht gaat en een fout maakt.’

Hans van Breukelen

Hans van Breukelen

‘Keepers zijn altijd op zoek naar de ultieme redding. Als je dat lukt, is het fantastisch; daar doe je het voor als keeper. Spelers begrijpen dat niet. Wij zijn direct afrekenbaar op iedere bal die op het doelvlak gaat: hij gaat erin of je hebt ‘m. Dat betekent dat als wij op de training een serie doen, dan willen wij alles hebben. Spelers die 100 meter moeten sprinten, beginnen na 85 meter uit te lopen. Dat is het verschil tussen keepers en spelers. Wij keepers willen tot het gaatje gaan om onze goal schoon te houden.

Wanneer merkte je dat jij weleens prof kon worden?

‘Ik was  een jaar of 16 en ik zat nog steeds bij BVC. Op zaterdag speelde ik bij de A-junioren, zondag bij het tweede en daarna mocht ik reserve zitten bij het eerste. Dat vond ik geweldig. Op mijn 16e maakte ik mijn debuut. Tegen DWSV uit, ik zal dat nooit vergeten. De eerste keeper viel uit en ik moest erin. Ik stond te trillen als een rietje en we verloren met 1-0.’

‘Pas toen ik bijna 18 was ging ik naar FC Utrecht. Ik heb daar zo ongelooflijk moeten afzien. Ik ging van 2 keer naar 6 keer trainen per week. Ik kon de eerste 3 maanden geen strandbal meer tegenhouden; ik was moe en had overal pijn. Ton du Chatinier heeft later wel eens gezegd dat hij toen dacht dat die ‘Biltse boer er helemaal niets van kon’.  Ik was toen een aardige amateurkeeper, maar ik moest nog zo waanzinnig veel leren. Technisch, tactisch en fysiek. Alleen mentaal had ik het wel aardig voor elkaar. Ik werd toen gedold, dat wil je niet weten. Ik was een studentje, zat op de pedagogische academie, praatte raar en droeg de verkeerde kleren. Maar langzaam maar zeker draaide het beeld: ik begon mijn draai te vinden en kreeg steeds meer waardering. Ik zag ze denken: hij praat dan misschien wel raar, maar hij pakt wel ballen.’

‘FC Utrecht had toen maar twee elftallen: het eerste en een jeugdelftal, waar ik toen in speelde. Aan het eind van dat jaar mocht ik op de vrijdagmiddag meetrainen met de keepers van het eerste: Harry Suvee en Jørgen Hendriksen.  In 1976 trok FC Utrecht Blagoj Istatov aan, een sterke Joegoslaaf, echt geweldig. Samen met Jan Stroomberg was ik toen 2e keeper. Het jaar daarop was alleen ik nog tweede keeper achter Istatov en maakte ik mijn debuut, bij Sparta. Vanaf 1978 stond ik vast in het eerste.’

Hans van Breukelen stopt Theo de Jong af  (1979)

Hans van Breukelen stopt Theo de Jong af (1979)

Hoe zagen je weken er toen uit?

‘Ik trainde bij FC Utrecht 6 keer in de week. Daarnaast gaf ik 15 uur les op de lage tuinbouwschool en deed ik op maandag- en donderdagavond samen met mijn vrouw een cursus om gymleraar te kunnen worden. Dat is nu niet meer voor te stellen, maar we deden dat gewoon. Dat heb ik 4 jaar volgehouden. Toen kreeg ik in 1982 de kans om naar Nottingham Forest te gaan. Een ongelooflijke verandering in ons leven. We hadden tijd om boeken te lezen, gingen naar de bioscoop, hadden geen sociale verplichtingen. Geweldig.’

Ben je in Engeland ook een beter keeper geworden?

Hans van Breukelen aan de bak bij Forest

Hans van Breukelen aan de bak bij Forest

‘Ik heb daar geleerd dat de eenvoudige ballen de ballen van de keeper moesten zijn. De eerste paal – de korte hoek – was altijd mijn hoek. Bij iedere bal binnen de 5 meter moest ik komen; alles daarbuiten moest ik overlaten aan mijn Engelse verdedigers. Ik kwam er ook wel eens uit, maar dan raakten zij in paniek, schopten me ondersteboven om me daarna keihard op mijn flikker te geven. Een keeper moest op zijn doellijn staan.’

‘Het eerste jaar werden we met Forest 5e, het tweede jaar 3e. Ik had een contract voor 3 jaar, maar na 2 jaar wilde PSV me graag hebben. Ik besloot te gaan. Aan het eind van het seizoen kwamen de fans het veld en ze namen me op de schouders. Dat was echt ongelooflijk. Ik had daar 2 jaar gespeeld! Achteraf gezien was Forest misschien wel de mooiste tijd uit mijn carrière. De beleving, de ontwikkeling die ik daar heb doorgemaakt: fantastisch. Een droom kwam uit.’

Maar toch was PSV niet te weerstaan?

‘Ik baalde ervan dat ik bij Forest niet zomaar vrij werd gegeven voor wedstrijden van het Nederlands Elftal. Brian Clough, de manager, zei dat hij mijn salaris betaalde en dat hij dus bepaalde of ik ging of niet. En ik vond Forest qua niveau vergelijkbaar met FC Utrecht. Als je Europees voetbal haalde, deed je het zo (doet zijn duim omhoog, JvM). Ambitieus als ik was, wilde ik prijzen winnen. Ik wilde kampioen worden, de beker winnen en een eindronde halen met Oranje. Dat waren de 3 hoofdredenen om terug te gaan naar Nederland. Maar ik vind het nog steeds jammer dat Eindhoven geen stad in Engeland is.

Blij bij Forest

Blij bij Forest

Wat is je beste wedstrijd ooit geweest?

‘Dat was met met FC Utrecht, uit bij HSV. We wonnen met 1-0 en ik was onpasseerbaar. Ik groeide in die wedstrijd. Het voelde alsof ik die wedstrijd in slow motion speelde waardoor ik meer ruimte voor mezelf creëerde om mijn actie te kunnen maken. Ik herinner me nog een snoeiharde kopbal van Horst Hrubesch die ik klemvast pakte.’

Kun je nog wat meer over die flow vertellen?  

‘Je moet er als keeper naar streven van bewust bekwaam onbewust bekwaam te worden. Dat je in een split second doet wat nodig is, zonder daarover na te kunnen of hoeven denken. Zo heb ik ooit mijn hand eens teruggetrokken bij een vrije trap (in de wedstrijd tegen Engeland op het WK, JvM). Daar twijfelen nog veel mensen over, maar ik wist wat ik deed. In een split second besloot ik de bal door te laten omdat dat op dat moment het goede was. Dat is misschien wel mijn briljantste redding uit mijn carrière geweest. Ik had nooit meer bij die bal gekund dus kon die bal nooit meer corner tikken.’

Als een keeper de flow ervaart, lijkt het alsof dingen zich in slow motion afspelen. Je weet bijna al wat er gaat gebeuren. Dat heeft voor en deel ook met voorbereiding te maken. Ik wist heel vaak van spelers wat ze gingen doen. Spits Harry van der Laan schoot meestal rechts van me; ik lag er dan al. Ik had dat voor de wedstrijd al 23 keer voor me gezien op het moment dat ik in mijn nest lag. Datzelfde had ik bij de thuiswedstrijd in 1988 tegen Real Madrid. 99 van de 100 omhalen van Sanchez kwamen rechts van de keeper.  Dat lijkt dan een geweldige redding, maar ik wist het al. Voorbereiding is meer dan 50 procent van je succes.

Wie is op dit moment de beste keeper van Nederland?

‘Dan ga ik toch voor Jasper Cillessen. Ik vind ‘m heel erg compleet en heel erg constant. En de wijze waarop hij zich in die korte tijd heeft ontwikkeld enorm knap. Ik kan me voorstellen dat Van Gaal voor hem gaat kiezen. Jeroen Zoet zit aardig op het vinkentouw. Die wordt steeds beter. En Vorm en Krul vind ik gewoon heel goede doelmannen. Van Stekelenburg had ik gehoopt dat hij via Fulham weer zou aanhaken maar dat lijkt niet het geval. Hij is veel te vaak geblesseerd. En als hij dan speelt, onderscheidt hij zich te weinig.’

En wie zijn internationaal de beste keepers?

‘Ik ben een enorme fan van Cech en Buffon. Het gekke is dat Casillas mij nooit heeft kunnen bekoren. Victor Valdes spreekt mij persoonlijk qua uistraling wat meer aan. Ook Neuer vind ik een absolute topper. Misschien is dat nu wel de beste van de wereld. Hij is enorm constant en maakt weinig fouten.’

Wie is de beste keeper ooit?

‘Ik had in mijn jeugd 4 grote voorbeelden:  Jan van Beveren qua stijl, Piet Schrijvers wat betreft één tegen één en robuustheid, Jan Jongbloed van het meevoetballen en Pim Doesburg van de reflexen. Ik ben nooit iemand gaan kopiëren, maar heb wel altijd bedacht dat ik hun sterke punten moest combineren.’

Hoe is keepen door de jaren heen veranderd?

‘Ik zie drie grote veranderingen. Ten eerste gaat het tegenwoordig allemaal veel sneller. Het meevoetballen is enorm belangrijk geworden. In mijn tijd was het niet belangrijk om te kunnen voetballen. Ik kon best aardig voetballen, maar was nooit verder gekomen dan 3e of 4e klasse. Wanneer ik bij FC Utrecht als voetballer meedeed, werd ik altijd ‘Das Ungeheuer’ genoemd; dat was de bijnaam van spits Horst Hrubesch die er ook altijd als een monster inging. Ten tweede maken de materialen in combinatie met de wijze waarop sommige spelers kunnen trappen het nog eens extra moeilijk. En tenslotte is de druk van de pers immens toegenomen; vroeger had je 1 televisiezender.  Nee, het is er voor een keeper allemaal niet makkelijker op geworden.’

Wat is de belangrijkste eigenschap van een goede keeper?

Bergkamp heeft weleens gezegd dat keepers nog meer dan spitsen vooruit moeten denken. Ze moeten anticiperen, pasjes maken, meebewegen. Op het moment dat de bal aan de andere kant van het veld is, heb je als keeper even tijd om je te ontspannen, na te denken, maar vooral om te kijken hoe je restverdediging staat. Toen Cillessen tegen Salzburg die bal over zich heen kreeg, zeiden veel mensen dat hij veel te ver voor de goal staat. Dat gebeurt ‘m misschien 1 keer in zijn hele leven. Maar doordat hij vanuit die positie speelt, onderschept hij een heleboel andere ballen. En dat is waar het om gaat. Hij denkt vooruit.’

‘Natuurlijk zijn techniek, tactiek en fysiek belangrijk, maar uiteindelijk gaat het bij keepers om het mentale aspect. Stanley Menzo was op de eerste 3 gebieden gewoon beter dan ik. Maar dat bleek niet genoeg om eerste keeper van het Nederlands Elftal te worden. Ik vind het gek dat dat mentale aspect nog steeds te weinig getraind wordt. Dan gaat het volgens mij om 4 punten:

  1. Hoe moet je je concentreren en focussen?
  2. Hoe coach je je eigen emoties? Dat heeft te maken met anders leren denken. Je denken bepaalt je gevoel en je gevoel bepaalt je gedrag.
  3. Hoe kun je nu zelf het beste gecoacht worden waardoor jij het gevoel krijgt onverslaanbaar te zijn?
  4. Hoe kun jij je collega’s coachen zodat zij zich onverslaanbaar voelen?

‘Je kunt wel leren met welke arm een bal in de uiterste bovenhoek gepakt moet worden, maar hoe leer je nu iemand om te gaan met een enorme blunder? Of hoe zorg je ervoor dat gasten die één topwedstrijd hebben gespeeld niet gemakzuchtig worden?’

Doe je nu eigenlijk nog iets met keepers?

‘Nee, daar ben ik 4 jaar geleden mee gestopt omdat mijn knie het niet meer aankon. Toen trainde ik 1 keer per week 4 keepers van DOS Leende in mijn woonplaats. Ik heb nooit overwogen om keeperstrainer in het betaald voetbal te worden; dat vond ik te eenzijdig. Ik ben nu lid van de Raad van Commissarissen van PSV. Wat ik nu leuk vind is dat Jeroen Zoet af en toe bij mij op visite komt en tegen me aan begint te lullen. Of dat Theo Timmermans van Volendam me mailt met wat vragen over het keepersvak. Ik geniet daarvan.’ 

Heb je nog een tip voor jonge keepers?

One thought on “Interview met Hans van Breukelen: ‘Keepers zijn gek. Gek van hun vak!’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*